Thermisch comfort
Eén van de belangrijkste kenmerken van gebakken aarde
Thermisch comfort is het gevoel van behaaglijkheid dat bereikt wordt bij een comforttemperatuur. Deze comforttemperatuur (19 à 21 °C) is het gemiddelde van de binnentemperatuur én de temperatuur van de wanden.
Zonder rekening te houden met de wandtemperatuur kan deze comforttemperatuur uiteraard worden behaald door binnen extra warmte toe te voegen, m.a.w. door supplementaire verwarmingskosten. Maar het is veel rendabeler en milieubewuster om voldoende aandacht te schenken aan de wandtemperatuur.
De wand fungeert als warmtereservoir die de warmte opslaat en later geleidelijk terug vrij geeft. Dit fenomeen heet thermische inertie. Door gebruik te maken van de thermische inertie van de wand, moet er minder extra warmte worden toegevoegd om de comforttemperatuur te bekomen. De thermische inertie wordt zowel bepaald door de warmtecapaciteit van de wand als door de thermische geleiding van de wand en is dus afhankelijk van de materiaalkeuze. Hoe zwaarder het materiaal, hoe groter de warmtecapaciteit.
Figuur 1: Beton heeft een grote warmtecapaciteit én een hoge warmtegeleiding. Dit betekent dat een grote hoeveelheid warmte kan worden opgeslagen, maar dat die warmte ook snel weer weggaat. Dit resulteert in een koude wand en heeft dus een negatieve invloed op het thermisch comfort.
Figuur 2: Materialen uit gebakken aarde zijn een goed compromis tussen beide extremen. Deze materialen hebben een grote warmtecapaciteit maar houden de warmte wel lang vast.
Figuur 3: Hout en isolatiemateriaal hebben een zeer kleine warmtecapaciteit en een lage warmtegeleiding. Dit houdt in dat slechts in heel beperkte mate warmte wordt opgeslagen, die weliswaar traag weggaat. Dit resulteert in een koude wand, die een negatieve invloed heeft op het thermisch comfort.
Ook de afkoeling van die wand (en dus de wandtemperatuur) hangt af van de verhouding tussen zijn warmtecapaciteit en zijn isolatiecoëfficiënt (warmtegeleiding).
En uit studies (zie tabellen) blijkt dat de afkoeltijd bij gelijke dikte hoger is bij baksteen dan bij alternatieve bouwmaterialen. Dat komt omdat baksteen twee kenmerken combineert die een langdurige afkoeltijd in de hand werken: een grote volumemassa (densiteit) en een goede warmte-isolatie.
| |
J/Kg.K |
Kg/m³ |
m |
J/m².K |
W/m.K |
uur |
| Baksteen |
1000 |
1250 |
0,3
|
375,00 |
0,34
|
92 |
| Cellenbeton |
1000 |
400 |
0,3 |
120,00 |
0,11 |
91 |
| Beton |
1000 |
2500 |
0,3 |
750,00 |
1,70 |
37 |
| Isolatie |
1450 |
30
|
0,3 |
13,05
|
0,02 |
54
|
|
J/Kg.K |
Kg/m³ |
m |
J/m².K |
W/m.K |
uur |
| Baksteen |
1000 |
1250 |
0,15
|
187,50
|
0,34
|
23
|
| Cellenbeton |
1000 |
400 |
0,15 |
60,00
|
0,11 |
23
|
| Beton |
1000 |
2500 |
0,15 |
375,00
|
1,70 |
9
|
| Isolatie |
1450 |
30
|
0,15 |
6,525
|
0,02 |
14
|
In de huidige EPB-berekeningen wordt momenteel nog geen rekening gehouden met de wandtemperatuur (of: het warmte-stockerend vermogen van de wand). Door de steeds strenger wordende thermische eisen wordt deze echter zonder enige twijfel een belangrijke factor in de toekomst.